Sturen
De stuurvrouw of -man zorgt voor:
- de veiligheid van roeiers en mede watergebruikers (denk aan andere boten, maar ook zwemmers en SUPpers)
- de koers van en het manoeuvreren met de boot
- het geven van duidelijke commando’s aan de roeiers
De stuurvrouw of -man moet:
- wind-, weers- en wateromstandigheden kunnen inschatten en
- relevante bepalingen uit het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) kennen
Uit het BPR o.a.:
- het herkennen van de vaargeul
- betekenis van borden, zoals een blauw bord betekent dat het binnenvaartschip de binnenbochten mag nemen
- stuurboord wal aanhouden
- voorrangsregels als zeil gaat voor spierkracht, zeil en spierkracht gaat voor pleziermotorvaart.
Dit is net iets minder relevant voor de Kromme Rijn maar roeiers moeten deze regels wel kennen voor als we op ander water roeien en omdat het hoort bij goed zeemansschap.
Stuurtechniek in het kort
- Tijdig en zo weinig mogelijk sturen. Doe dat met beperkte koerswijzigingen.
- Grotere koerswijzigingen door ‘bakboord best’/‘stuurboord sterk’ te geven, te ‘houden’ of ‘rond’ te maken.
- Een roer doet alleen iets als we vaart hebben.
- Bij strijken: roer recht houden met de stuurtouwtjes strak in de handen.
- Zo min mogelijk over een boord hangen in verband met balans.
Stuurtechniek uitgebreid
Allerlei invloeden zijn er de oorzaak van dat een boot van de rechte koers afwijkt (wind, stroom, ongelijk trekken aan stuurboord en bakboord, gebreken aan de boot). Wanneer een boot van de rechte koers afwijkt of bij bochten in het vaarwater dient er gestuurd te worden.
Wanneer er gestuurd wordt, komt het roer onder een hoek op de lengteas van de boot te staan. Dit heeft niet alleen tot gevolg dat de vaarrichting van de boot verandert, maar heeft ook een remmend effect op de snelheid én een storende invloed op de balans.
Deze twee effecten worden groter naarmate de uitslag van het roer groter is. Het is dus zaak op tijd te reageren als de boot van de koers afwijkt en rustig te corrigeren. De oorspronkelijke koers kan met een zeer kleine roeruitslag hernomen worden. De boot draait na een stuurmanoeuvre nog iets door in de gestuurde richting, daarom moet je tijdig stoppen met sturen. Vooral in wedstrijden moet de stuur hierop zeer attent zijn. Als hij laat reageert, gaat hij zigzaggend over de baan met veel remmende roeruitslag.
Wanneer sturen
Om het roer te kunnen gebruiken heeft een bootsnelheid nodig; bij weinig vaart zal de boot dus ook minder sturen dan bij een hoge snelheid. De boot stuurt het best bij een kleine roeruitslag. Kleine koerscorrecties dienen alleen tijdens de recover plaats te vinden. De werking van het roer is dan het grootst (de snelheid is dan maximaal) en de roeiers worden het minst gestoord in hun haal. Moet er een grotere koerscorrectie gemaakt worden, trek dan niet te veel aan (één van) de stuurtouwtjes. Doe het in kleine stapjes en breng het roer weer rustig terug in het midden van de boot. Een roeruitslag van meer dan 30° geeft nauwelijks meer sturend effect en remt de boot slechts af. Hoe langzamer de boot vaart, hoe meer men de roeiers bij het sturen moet inschakelen (met ‘bakboord sterk en ‘stuurboord sterk’).
Niet altijd sturen
Wanneer de noodzakelijke koerswijziging zo groot is, dat die niet alleen door de werking van het roer tot stand gebracht kan worden of niet snel genoeg tot stand gebracht kan komen, dient de stuur de roeiers mee te laten sturen door aan een van de boorden harder te laten trappen: ‘bakboord best’/‘stuurboord sterk’. Bij nog grotere koerswijzigingen laat de stuur lopen, met daarna ‘houden’ aan één boord, eventueel gevolgd door ‘rondmaken’ over dat boord.